Voor de meeste Belgen betekent 11 november: een vrije dag waarop de Wapenstilstand van 1918 en de oorlogsslachtoffers herdacht worden. 
In Nederland – of in sommige delen van Nederland – gaan op die dag de kinderen met lampionnetjes van deur tot deur. In ruil voor het zingen van een liedje, worden ze getrakteerd op snoepgoed. 
Vergelijkbaar dus met de Driekoningen-traditie (6 januari), die in België dan weer bekender is.

In sommige Nederlandse gemeenten worden op 11 november optochten georganiseerd door scholen of buurtverenigingen. Al dan niet met een Sint Maarten aan het hoofd van de stoet die met een zwaard zijn mantel in tweeën; snijdt en de helft geeft aan een bedelaarsfiguur. Soms wordt ook een groot vuur ontstoken.

Sint Maarten is de verering van Martinus, die diende in het Romeinse leger. Toen hij achttien was, liet hij zich dopen. Hij werd monnik en stichtte in Frankrijk verscheidene kloosters. In 372 werd hij gekozen tot bisschop van Tours. Daar werd hij op 11 november begraven. Martinus werd al gauw vereerd om zijn liefdadigheid. Hij werd onder andere patroon van de armen en van de kinderen. Op de feestdag van deze heilige werd het gebruikelijk om hen iets te geven.